Actueel

Ubink Rijs is een hoogwaardig gespecialiseerd advocatenkantoor op het gebied van vastgoed & overheid. Op deze pagina houden wij u op de hoogte van actuele ontwikkelingen op ons vakgebied. Stelt u het op prijs om proactief, rechtstreeks voorzien te worden van kennis die relevant is voor uw specifieke situatie? Neemt u dan contact met ons op. Wij voorzien graag in uw informatiebehoefte.

Attentie voor auteursrecht na doorstart bouwproject16 januari 2017

  • De afgelopen periode zijn meerdere uitspraken verschenen over architecten die zich met succes in faillissementssituaties hebben verzet tegen het verdere gebruik van hun ontwerp zolang zij niet werden betaald voor hun ontwerp. Zowel de rechtbank Gelderland, als de rechtbank Noord-Holland hebben geoordeeld dat een architect die onbetaald is gebleven zich na een doorstart met een beroep op zijn auteursrecht kan verzetten tegen het verdere gebruik van zijn ontwerp door een andere partij dan de oorspronkelijke opdrachtgever.

    Licentie

    Ontwerptekeningen van een architect zijn vrij snel aan te merken als auteursrechtelijk beschermde werken. De opdracht tot het maken van het architectonische ontwerp omvat meestal het recht voor de opdrachtgever om van de tekeningen gebruik te maken bij de realisatie van het werk. Dit is een persoonlijk gebruiksrecht voor de opdrachtgever, ook wel aangeduid als een licentie. Het auteursrecht zelf wordt daarmee niet overgedragen aan de opdrachtgever. Het auteursrecht blijft zonder expliciete andersluidende afspraken daarover bij de architect berusten.

    Het gebruiksrecht of de licentie van de opdrachtgever ten aanzien van het ontwerp betekent niet dat ook derden gerechtigd zijn om het ontwerp te gebruiken. Indien de opdrachtgever failliet gaat en het werk door een andere partij wordt voortgezet, is de opvolgende partij dus niet zonder meer gerechtigd om gebruik te maken van het ontwerp van de architect. Daarvoor is toestemming van de architect vereist, aldus de Rechtbank Gelderland. Denkbaar is dat de curator het gebruiksrecht zou willen overdragen aan de opvolgende partij. De rechtbank Noord-Holland heeft evenwel overwogen dat de licentie niet overdraagbaar is.

    Bouwstop

    In beide uitspraken kwam nog aan de orde dat het verbod op verdere gebruikmaking van de ontwerptekeningen feitelijk een bouwstop zou betekenen en dat dit te verstrekkend zou zijn gezien de wederzijds betrokken belangen. Ook dit verweer wordt in beide uitspraken gepasseerd, mede gebaseerd op de overweging dat beide architecten bereid waren om alsnog toestemming te verlenen voor het gebruik van hun ontwerp als zij alsnog voor hun werkzaamheden betaald zouden worden.

    Aandacht voor auteursrecht

    De uitspraken van de beide Rechtbank illustreren dat het auteursrecht van de architect voor hem een machtsmiddel betekent om betaling voor zijn werkzaamheden af te dwingen in faillissementssituaties als een andere partij in het kader van een doorstart van zijn ontwerp gebruik wenst te maken.

    Sterker nog, zelfs als wel volledige betaling heeft plaatsgevonden, zal in faillissementssituaties altijd moeten worden beoordeeld of het auteursrecht van de architect aan verdere gebruikmaking van zijn ontwerp in de weg staat. Uit de hiervoor besproken uitspraken volgt dat ook dan aan de orde kan zijn dat de failliete opdrachtgever uitsluitend beschikt over een niet overdraagbaar gebruiksrecht ten aanzien van het ontwerp en dat voor het gebruik van dat ontwerp door een andere partij opnieuw toestemming van de architect vereist is. Die kan zich hier mogelijk tegen verzetten of hier nadere voorwaarden aan verbinden.

    In situaties waarin de architect al volledig betaald heeft gekregen, kan een belangenafweging – die in beide uitspraken in het voordeel van de architect uitviel – wellicht uitkomst bieden. In beide uitspraken werd immers uitdrukkelijk gerefereerd aan het feit dat de architect had aangeboden toestemming te verlenen voor het verdere gebruik van zijn ontwerp als hij alsnog betaald zou krijgen. In die omstandigheden was zijn opstelling niet onredelijk en viel de belangenafweging in zijn voordeel uit. Als de architect al volledig betaald had gekregen zouden de betrokken belangen wellicht anders zijn gewogen en had de belangenafweging wellicht uitkomst hebben kunnen bieden voor de opdrachtgever. Aldus kan worden voorkomen dat de dwangpositie die ontstaat als het beroep op het auteursrecht tot een bouwstop leidt, de architect een middel in handen geeft om betaling af te dwingen van irreële bedragen, die niet in verhouding staan tot zijn gebruikelijke honorarium.

    Onduidelijkheid over de overdraagbaarheid van het recht om het ontwerp van de architect te gebruiken kan overigens eenvoudig worden voorkomen door over het auteursrecht in het kader van de contractering van de architect passende afspraken te maken, bijvoorbeeld door over te gaan tot overdracht van het auteursrecht, voor zover mogelijk, dan wel door overeen te komen dat de architect op voorhand toestemming geeft tot overdracht van het gebruiksrecht ten aanzien van zijn ontwerp.

    Zie Rechtbank Gelderland 24 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2023 en Rechtbank Noord-Holland 31 augustus 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7375.

Betaling meerwerk na faillissement7 januari 2017

  • Actualiteit 2 december 2016: betaling meerwerk na faillissement

    Al enige tijd wordt gediscussieerd over de vraag of een curator na het faillissement van een aannemer aanspraak kan maken op betaling van werkzaamheden die door de aannemer vóór zijn faillissement zijn verricht, maar die de aannemer conform de overeengekomen betalingsregeling nog niet in rekening mocht brengen.

    Artikel 37 Faillissementswet

    Meer in het bijzonder speelt deze vraag als de curator niet bereid is om het werk na het faillissement te voltooien. Artikel 37 Fw bepaalt in dat geval dat de curator dan op zijn beurt evenmin nakoming van de overeenkomst kan verlangen. De vraag was hoe deze bepaling zich verhoudt tot de mogelijkheid om betaling te verlangen van reeds verrichte werkzaamheden ter zake waarvan nog geen opeisbare betalingsverplichting bestond ten tijde van het faillissement.

    Prejudiciële vraag

    Hierover is een zogenaamde prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. De vraag is gesteld in een situatie waarin meerwerk was opgedragen, dat slechts gedeeltelijk was betaald. Het werk zelf was aanmerkelijk verder gevorderd, maar nog niet voltooid. Conform de betalingsregeling voor meerwerk in de modelcontracten van SWK en Woningborg was 25% van het meerwerk verschuldigd bij opdrachtverstrekking. De rest was echter pas opeisbaar na voltooiing van het meerwerk. Zover was de aannemer niet op het moment dat hij failleerde. De curator maakte aanspraak op betaling naar de stand van het werk.
    Hoge Raad schept duidelijkheid: waarde moet vergoed worden

    De Hoge Raad is duidelijk over deze kwestie. De curator kan aanspraak maken op betaling. De grondslag daarvan is niet gelegen in nakoming van de overeenkomst. Omdat de curator de overeenkomst niet gestand doet en het meerwerk dus niet wordt voltooid, wordt ook de tegenprestatie – betaling van het uitgevoerde meerwerk –contractueel niet door de koper verschuldigd. Niettemin kan de curator wel op andere grondslagen aanspraak maken op betaling.

    Als de koper vanwege het niet gestand doen van de overeenkomst door de curator tot ontbinding overgaat, ontstaat met betrekking tot reeds verrichte prestaties een ongedaanmakingsvordering jegens de koper ter hoogte van de waarde van de verrichte prestatie. Dit betekent kortom een betalingsverplichting naar de stand van de werkzaamheden.

    Als de koper niet tot ontbinding overgaat, ontstaat een dergelijke ongedaanmakingsverbintenis niet. In dat geval biedt het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking uitkomst. Dan moet op die grond in beginsel de waarde van de verrichte prestatie worden vergoed. Dit is alleen anders als de termijnregeling in de overeenkomst niet alleen de strekking heeft om het tijdstip van de opeisbaarheid van de betalingsverplichting te regelen, maar ook ertoe zou strekken dat bij het niet volledig voltooid zijn van de prestatie in het geheel geen vergoeding verschuldigd is. Dit is denkbaar in situaties waarin de prestatie pas waarde krijgt als deze volledig voltooid wordt. Bij half-voltooide werkzaamheden van een aannemer, lijkt dit niet snel aan de orde. Niet valt in te zien waarom de termijnregeling ter zake meer zou zijn dan uitsluitend een bepaling omtrent het tijdstip van opeisbaarheid van de betalingsverplichting.

    Een vergoedingsplicht van de reële waarde van verrichte werkzaamheden lijkt zonder meer billijk. De uitspraak van de Hoge Raad is tegen deze achtergrond niet verrassend.

    Verrekening schade

    Voor de praktijk is het nog van belang om op te merken dat deze uitspraak er niet aan af doet dat de koper zijn schade als gevolg van het faillissement verrekent met hetgeen hij verschuldigd is aan de aannemer c.q. de curator. Ook dit geldt ongeacht de vraag of voor de verrichte prestaties moet worden betaald in het kader van de gevolgen van een eventuele ontbinding van de aanneemovereenkomst dan wel in het kader van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking als de overeenkomst niet wordt ontbonden, bijvoorbeeld omdat het werk wordt afgebouwd door tussenkomst van de waarborgende instantie.

    Bron: HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2729.

Afgegeven raming aangemerkt als richtprijs20 augustus 2016

  • Regie-opdracht

    Een opdrachtgever vraagt een installateur om een nieuwe CV-installatie te plaatsen. Daarna verzoekt hij om ook de radiatoren aan te passen en een badkamer aan te leggen. De installateur geeft aan dat met het maken van een offerte en het begroten van de werkzaamheden veel tijd en kosten zijn gemoeid. Hij stelt voor de werkzaamheden op regiebasis uit te voeren, mede met het oog op de korte termijn waarop de werkzaamheden zouden moeten worden gestart. De opdrachtgever gaat hiermee akkoord.

    Raming

    Nadat de eerste werkzaamheden zijn gefactureerd, maakt de opdrachtgever zijn zorgen hierover kenbaar, in het licht van de eerder door hem aan de installateur genoemde maximumbedragen voor de uit te voeren werkzaamheden van in totaal € 22.500,=. De installateur reageert met een kostenraming voor het geheel van € 29.700,=.

    Overschrijding

    Uiteindelijk verstuurt de installateur voor zijn werkzaamheden facturen tot een bedrag van in totaal € 51.754,53. De opdrachtgever laat het gedeelte waarmee de raming wordt overschreden onbetaald. Daarover volgt een procedure, die uiteindelijk bij het Hof in Amsterdam terecht komt.

    Raming = richtprijs

    Het Hof oordeelt dat de raming moet worden aangemerkt als een richtprijs als bedoeld in artikel 7:752 BW. Het gevolg daarvan is dat de richtprijs met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer de opdrachtgever voor de overschrijding waarschuwt, zodat de opdrachtgever in de gelegenheid is om het werk nog aan te passen. De installateur had zich nog op het standpunt gesteld dat daarvan sprake was, omdat hij periodiek had gefactureerd en de opdrachtgever daaruit had kunnen concluderen dat de raming aanzienlijk zou worden overschreden. Dit vond het Hof echter onvoldoende om aan de betreffende waarschuwingsplicht te voldoen. De installateur mocht niet meer dan de geraamde kosten + 10% in rekening brengen.

    Niet vrijblijvend

    Deze uitspraak leert dat enige voorzichtigheid is geboden met het afgeven van een raming. Dat is geen vrijblijvende kostenindicatie. Aan het afgeven van een raming kunnen juridische consequenties zijn verbonden voor de kosten die daarna maximaal in rekening kunnen worden gebracht, namelijk indien een raming – zoals in dit geval – als een richtprijs wordt aangemerkt. De wet omschrijft overigens niet wanneer sprake is van een richtprijs. Niet iedere prijsindicatie kan als zodanig worden aangemerkt. Als bijvoorbeeld de werkzaamheden nog onvoldoende duidelijk zijn, kan het zijn dat een prijsindicatie nog niet het karakter heeft van een richtprijs. Niettemin verdient het voor aannemers aanbeveling om expliciet te waarschuwen als zich een overschrijding voordoet van eerder genoemde bedragen die met de uitvoering van bepaalde werkzaamheden gemoeid zouden zijn. Dat voorkomt discussie achteraf over de vraag of een geraamde prijs als een richtprijs moet worden aangemerkt die zonder waarschuwing niet met meer dan 10% mag worden overschreden.

    Gerechtshof Amsterdam 12 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1418, gepubliceerd op 26 juli 2016.

     

Kostenverhaal alleen mogelijk voor marktconforme kosten25 juli 2016

  • Op 8 juli 2016 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de omvang van kostenverhaal. Het betrof een situatie, waarop de oude Wet Ruimtelijke Ordening nog van toepassing was. Aan de orde was een overeenkomst tussen de gemeente Molenwaard en een exploitant, die voorzag in een verplichting voor de exploitant om een bijdrage te betalen aan de gemeente voor het bouwrijp maken van gronden en voor de aanleg van openbare voorzieningen. Omdat deze bijdragen in strijd waren met de gemeentelijke exploitatieverordening konden de afspraken uit de overeenkomst niet geldend worden gemaakt. De gemeente kan in een dergelijke situatie volgens eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad in de zogenaamde Warmond-jurisprudentie wel aanspraak maken op vergoeding van de door haar geleverde prestaties op grond van onverschuldigde betaling. In deze uitspraak was de omvang aan de orde van de kosten die op deze grondslag alsnog voor rekening van de exploitant konden worden gebracht.

     

    Omvang kostenverhaal

    De Hoge Raad oordeelt in deze uitspraak dat de omvang van het kostenverhaal op grond van onverschuldigde betaling wordt beperkt tot de bijdrage waarop aanspraak gemaakt had kunnen worden indien de exploitatieverordening zou zijn gevolgd. Tegelijkertijd kunnen maximaal de kosten worden verhaald die overeenkomen met de marktwaarde van de door de gemeente verrichte prestatie.

     

    Toerekening, profijt en proportionaliteit

    In het kader van het eerste criterium – tot welke omvang was kostenverhaal op grond van de exploitatieverordening mogelijk – is het aan de gemeente om te stellen en onderbouwen welke voorzieningen van openbaar nut specifiek met betrekking tot het perceel van exploitant zijn getroffen. Onvoldoende is daartoe dat de gemeente de kosten onderbouwd met betrekking tot het gehele gebied waartoe het perceel van de exploitant behoort. In dit geval had de gemeente zich overigens ook niet daartoe beperkt. Zij had ook de totale oppervlakte van de gebate percelen becijferd en een conform de exploitatieverordening becijferde rekeneenheid betrokken in de vaststelling van hetgeen op grond van de exploitatieverordening in rekening had kunnen worden gebracht. Dat kon de toets der kritiek van de Hoge Raad doorstaan. In de huidige Wro liggen vergelijkbare beginselen ten grondslag aan de mogelijkheid om kosten die gemaakt worden voor een geheel exploitatiegebied of zelfs bovenplanse kosten, ten laste van individuele gronden in een exploitatieplan te brengen.

     

    Marktwaarde

    De Hoge Raad specificeert verder – onder verwijzing naar een eerder arrest uit 2014 – dat de marktwaarde van de verrichte prestatie de waarde betreft die in het economisch verkeer aan die prestatie wordt toegekend. In het algemeen zal dit het bedrag zijn dat in het economisch verkeer betaald had moeten worden voor het verrichten van de werkzaamheden, in dit geval voor het aanleggen van de voorzieningen van openbaar nut. Vervolgens moet dan het aan de percelen van de exploitant toe te rekenen deel daarvan in aanmerking worden genomen.

     

    Discussie over marktconformiteit?

    Het is in beginsel aan de gemeente om de waarde van de door haar verrichte prestatie aannemelijk te maken. Als de gemeente de aanleg van het openbaar gebied heeft aanbesteed, zal dit niet tot al te veel discussie leiden. De uitkomst van de aanbesteding zal dan naar verwachting als marktconforme prijs worden aangemerkt. Zijn werkzaamheden niet aanbesteed, dan bestaat meer ruimte voor discussie en zal de gemeente de marktconformiteit van de in rekening gebrachte werkzaamheden anderszins aannemelijk moeten maken.

    Of de uitspraak van de Hoge Raad betekent dat ook onder de Wro uitsluitend marktconforme kosten voor verhaal in aanmerking komen, valt nog te bezien. De uitspraak van de Hoge Raad ziet op de vraag in hoeverre betaling dient plaats te vinden van onverschuldigd door de gemeente verrichte prestaties, omdat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst niet geldend kan worden gemaakt. Dat is strikt genomen een ander beoordelingskader dan de vraag naar kostenverhaal krachtens een overeenkomst binnen de mogelijkheden van de huidige Wro. Tegelijkertijd geldt ook onder de huidige Wro het uitgangspunt dat een gemeente niet meer kosten kan verhalen dan objectief gerechtvaardigd is, hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in de criteria van toerekenbaarheid, profijt en proportionaliteit. Betoogd kan worden dat ook in het licht van deze criteria hooguit marktconforme kosten voor rekening van de exploitant kunnen worden gebracht, in lijn met de hier besproken uitspraak van de Hoge Raad.

    HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1441 (Molenwaard).

     

Ubink Rijs partner van VN Constructeurs22 april 2016

  • VN Constructeurs is een beroepsvereniging van constructeurs, die hen vertegenwoordigt en hun belangen behartigt. VN Constructeurs richt zich op het verbeteren van de maatschappelijke positie en het imago, op het bevorderen van de rol en de waarde in de bouwkolom, op versterking van het ondernemerschap en op het stimuleren van vakmanschap.

    De leden van VN Constructeurs lopen regelmatig tegen juridische vraagstukken aan, zowel tijdens het contracteren, als bij de uitvoering van opdrachten. Ubink Rijs Advocaten is gespecialiseerd in de constructeursbranche. VN Constructeurs en Ubink Rijs Advocaten zijn een samenwerking aangegaan om de leden van VN Constructeurs juridische ondersteuning te kunnen bieden, als onderdeel van het lidmaatschap van VN Constructeurs.

    Juridische helpdesk

    In het kader van de samenwerking biedt Ubink Rijs Advocaten een gratis helpdeskfunctie voor leden van VN Constructeurs. Daarnaast is het mogelijk om tegen een eenmalige vergoeding een beoordeling van standaardcontracten te laten uitvoeren. Tot slot heeft Ubink Rijs Advocaten tariefafspraken gemaakt met VN Constructeurs indien haar leden Ubink Rijs Advocaten wensen in te schakelen voor nadere juridische bijstand.

    Wij zijn verheugd onze kennis van deze branche en de specifieke juridische aspecten daarvan aldus te kunnen aanwenden voor de leden van VN Constructeurs. Wij kijken uit naar een constructieve samenwerking.

     

     

     

Inkomensafhankelijke huurverhoging per 1 juli kan doorgang vinden30 maart 2016

  • Op 18 februari 2016 berichtten wij over de inkomensafhankelijke huurverhoging (zie bericht van februari). Kort daarvoor had de Raad van State (RvS) geoordeeld dat er geen wettelijke basis bestond voor de verstrekking van inkomensindicaties door de Belastingdienst. Als gevolg daarvan bestond er onzekerheid over de inkomensafhankelijke huurverhogingen per 1 juli 2016.

    Aan die onzekerheid is nu een einde gekomen. De Eerste Kamer heeft op 29 maart 2016 het wetsvoorstel Gegevensverstrekking Belastingdienst aangenomen. In die wet wordt een wettelijke basis voor de Belastingdienst gecreëerd om inkomensindicaties te mogen verstrekken.

    Voor verhuurders komt dit goed uit. Zij kunnen nu tijdig de inkomensindicaties van de Belastingdienst verkrijgen om op basis daarvan de huurverhogingen per 1 juli 2016 aan te zeggen.

Ophef over inkomensafhankelijke huurverhoging18 februari 2016

  • Vanaf 2013 kunnen verhuurders inkomensafhankelijke huurverhogingen doorvoeren. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger de huurverhoging, tot een maximum van inflatie plus 4%. De benodigde inkomensindicaties van huurders verkregen verhuurders van de Belastingdienst. Dit alles om scheefwonen tegen te gaan.

    De Raad van State (RvS) heeft hier in een uitspraak van 3 februari jl. een streep doorheen gezet. Als de Belastingdienst gegevens prijs geeft, dan moet daarvoor een wettelijke basis bestaan. En die wettelijke basis ontbreekt hier, aldus de RvS. De Belastingdienst had de inkomensindicaties dus helemaal niet mogen verstrekken. Deze uitkomst houdt de gemoederen bezig.

    Terugvorderen
    Allereerst is nu de vraag of de huurverhogingen die zijn gebaseerd op de onrechtmatig verkregen gegevens, door huurders kunnen worden teruggevorderd. De Woonbond wordt overstelpt met vragen over de  terugvordering van de huurverhogingen, maar is nog bezig met een juridisch onderzoek naar de haalbaarheid van een dergelijke vordering. Huurders melden zich ook bij woningcorporaties met het verzoek om de huurverhogingen terug te betalen. Woningcorporaties geven aan dat als zij moeten terugbetalen aan de huurders, zij op hun beurt de verhuurdersheffing van de minister gaan terugvorderen.

    Wij verwachten niet dat het zover komt. De huurverhogingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd zijn rechtsgeldig. De huurverhogingen zelf zijn namelijk gebaseerd op een wettelijke grondslag. De verhuurders hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de wet hen biedt. De huurverhogingen liggen geheel in lijn met het doel en de strekking van de wet. Dat de Belastingdienst, in de fase van uitvoering van de wet, gegevens heeft verstrekt zonder dat daar een wettelijke basis voor bestaat, doet daaraan niet af. De gevolgen van die leemte in de wet, behoren niet voor rekening van de verhuurders te komen.

    Huurverhoging per 1 juli 2016
    Ten tweede is de vraag of verhuurders de inkomensafhankelijke huurverhogingen per 1 juli 2016 kunnen doorvoeren alsof er niets aan de hand is. De Belastingdienst maakt op haar site bekend dat zij geen inkomensindicaties  zal verstrekken zolang een wettelijke grondslag ontbreekt.

    Als het aan de minister ligt is die wettelijke grondslag er tijdig.  De hiervoor bedoelde leemte in de wet wordt namelijk opgevuld in het Wetsvoorstel Doorstroming Huurmarkt. In dat wetsvoorstel is een wettelijke basis voor de Belastingdienst gecreëerd om inkomensindicaties te mogen verstrekken.

    Het wetsvoorstel is op 9 februari 2016 (na enkele wijzigingen en aanvullingen) door de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu ter goedkeuring voor aan de Eerste Kamer. Aedes heeft de Eerste Kamer al opgeroepen om het wetsvoorstel zo snel mogelijk te behandelen, zodat verhuurders de huurverhogingen per 1 juli 2016 tijdig kunnen aanzeggen. De Woonbond daarentegen is van mening dat men pas op de plaats moeten maken en dat er geen huurverhogingen moeten worden doorgevoerd per 1 juli 2016.  Het is nu wachten op de Eerste Kamer.

    Als de behandeling van genoemd wetsvoorstel niet tijdig wordt afgerond, kan het wetsvoorstel Gegevensverstrekking Belastingdienst, dat eveneens ter goedkeuring is voorgelegd, nog uitkomst bieden.

    Eén van beide wetsvoorstellen zal een basis moeten bieden voor doorvoering van de inkomensafhankelijke huurverhoging per 1 juli 2016.

Nieuwe drempelbedragen1 januari 2016

  • Op 24 november 2015 heeft de Europese Commissie nieuwe drempelbedragen vastgesteld voor 2016 en 2017. Opdrachten met een hogere waarde dan de drempelbedragen dienen Europees te worden aanbesteed. De drempelbedragen zijn licht verhoogd. Voor werken bedraagt het drempelbedrag vanaf 1 januari 2016 € 5.250.000 (dit was € 5.186.000,=), voor diensten en leveringen ten behoeve van de centrale overheid € 135.000 (dit was € 134.000,=) en voor diensten en leveringen voor de decentrale overheid € 209.000,= (voorheen: € 207.000,=).

    Bron: Pb. EU 24 november 2015, L 307/9.

Doorleggen bestuurlijke boete WAV toegestaan11 december 2015

  • Op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) kan een bestuurlijke boete worden opgelegd aan de werkgever die een vreemdeling tewerkstelt zonder over de vereiste vergunningen te beschikken. Het begrip ”werkgever” wordt daarbij ruim uitgelegd. In de bouw betekent dit dat ook opdrachtgevers en hoofdaannemers als werkgever kunnen worden aangemerkt en beboet kunnen worden als onder in de keten een vreemdeling zonder vergunning op de bouw aan het werk is.

    Doorleggen boete

    In bouwcontracten wordt de boete vanwege overtreding van een voorschrift uit de WAV veelal doorgelegd  naar de partij die de vreemdeling daadwerking in dienst heeft. In lagere jurisprudentie is wisselend antwoord gegeven op de vraag of het doorleggen van de boete toegestaan was. In sommige uitspraken is een doorlegginsbepaling nietig geoordeeld. Daarmee zou de strekking van de wet worden doorkruist, namelijk het opleggen van een eigen verantwoordelijkheid voor alle partijen die de vreemdeling te werk stellen. Door de boete door te leggen wordt afbreuk gedaan aan de beoogde afschrikwekkende werking ervan en daarmee aan het handhaven van de doelstellingen van de wet.

    Prejudiciële vraag

    Om een einde te maken aan de onzekerheid over de vraag of de bestuurlijke boete uit de WAV doorgelegd mag worden, is deze vraag voorgelegd aan de Hoge Raad. Hij heeft hierover uitspraak gedaan op 11 december 2015. De Hoge Raad heeft allereerst onderschreven dat het doorleggen van de boete afbreuk doet aan de effectiviteit van de wet, voor zover deze is gericht op andere partijen dan de daadwerkelijke werkgever. Daar staat echter een aantal argumenten tegenover, die maken dat de Hoge Raad het doorleggen van de bestuurlijke boete toch toelaatbaar acht. Zo verzet de wet zich niet ertegen dat het naleven van de wet aan een derde wordt opgedragen. Dan valt niet in te zien, aldus de Hoge Raad, waarom het tekortschieten daarin door de betreffende derde niet als  wanprestatie mag worden aangemerkt met schadeplichtigheid tot gevolg. De schade die aldus op de derde kan worden verhaald, kan onder andere de bestuurlijke boete op grond van de WAV betreffen. De Hoge Raad wijst erop dat door de mogelijkheid van verhaal van de boete op de volgende schakel in de keten, de financiële prikkel om de Wav na te leven indirect wordt geconcentreerd bij de partij in de keten die het meest betrokken is bij de tewerkstelling van de arbeidskrachten. Dit vormt wellicht zelfs een extra prikkel om de wet na te leven.

    Faillissementsrisico

    Volgens de Hoge Raad worden de doelstellingen van de wet niet ondergraven met een contractuele bepaling waardoor boetes worden doorgelegd naar de partij die de vreemdeling daadwerkelijk aan het werk zet. Het ruime werkgeverbegrip blijft gehandhaafd. De Hoge Raad betrekt expliciet in zijn oordeel dat de volgens de wet verantwoordelijke partijen een insolventierisico lopen, indien zij uitsluitend vertrouwen op het contractueel doorleggen van de boete naar de partij die de vreemdeling daadwerkelijk inschakelt. Bij faillissement van die partij loopt de mede-verantwoordelijke hoofdaannemer of opdrachtgever het risico op een niet-verhaalbare bestuurlijke boete. Ook voor hen blijft dus gelden dat toezicht op naleving van de WAV van belang is en het een risico is om uitsluitend te vertrouwen op contractuele bepalingen waarin deze verantwoordelijkheid ”“ en de sancties bij schending ervan ”“ worden verlegd naar lagere schakels in de keten.

    Bron: Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3568.

Geharmoniseerde normen Vuurwerkbesluit onverbindend25 november 2015

  • Op 28 oktober 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als hoogste bestuursrechter uitspraak gedaan op de beroepen van twee vuurwerkbedrijven tegen door de staatssecretaris in 2014 opgelegde handhavingsbesluiten vanwege het niet voldoen van vuurwerk aan de NEN-norm 15947-5:2010 (“de NEN-norm”). Deze NEN-norm betreft een door Europese Normalisatie Instituten uitgegeven geharmoniseerde norm op basis van de Pyrorichtlijn (nr. 2007/23/EG). Volgens de staatssecretaris is door afwijking van de NEN-norm (geharmoniseerde norm) het Vuurwerkbesluit overtreden.

    Namens een van beide bedrijven heeft advocaat mr. Thomas Rijs van Ubink Rijs Advocaten in beroep onder meer aangevoerd dat deze NEN-norm verbindende kracht mist, nu is nagelaten om overeenkomstig artikel 1A.1.7, eerste lid van het Vuurwerkbesluit deze norm als geharmoniseerde norm bij ministeriële regeling vast te stellen en bekend te maken. De norm is immers enkel door het Nederlands Normalisatie-Instituut in de Staatscourant geplaatst, terwijl de voorgeschreven ministeriële regeling en de bekendmaking daarvan ontbreekt.

    De Afdeling volgt het betoog van mr. Rijs en concludeert dat geen ministeriële regeling in de zin van het Vuurwerkbesluit is vastgesteld. Handhaving gebaseerd op overtreding van de NEN-norm was dan ook niet mogelijk. Om die reden wordt in beide zaken het beroep gegrond verklaart en worden de besluiten van de staatssecretaris daarom door de Afdeling vernietigd. De hele uitspraak kunt u lezen via deze link: http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=85552

    Overigens is inmiddels het Vuurwerkbesluit alweer gewijzigd en is daarbij ook de wijze waarop de geharmoniseerde normen in het Nederlandse Vuurwerkbesluit doorwerken aangepast.